Het documentair krediet



Algemeen

Het documentair krediet is een techniek van betaling waarbij de verkoper door de bank van de koper wordt betaald tegen de overhandiging van bepaalde documenten. Deze arrangementen of contracten zijn te onderscheiden van de onderliggende hoofdcontracten tussen de verkoper-exporteur en zijn overzeese koper. Documentaire kredieten hebben een abstract of autonoom karakter. (1)
De emitterende bank moet - tenzij in geval van kennelijke fraude - de verkoper-exporteur betalen voor de gekochte goederen wanneer deze verkoper-exporteur de vereiste documenten aan de bank voorlegt (rechtstreeks of via een corresponderende bank). Dit is zelfs zo wanneer de koper voorhoudt dat de geleverde goederen gebrekkig zijn of dat er contractbreuk (2) is. Het bedrag, vermeld in de L/C of kredietbrief, garandeert de nakoming van de verbintenissen van de koper-opdrachtgever uit de basisovereenkomst, zonder dat de excepties uit deze basisovereenkomst kunnen worden opgeworpen. (3)

Een L/C of een kredietbrief is geen contract tussen koper en verkoper van goederen en is eveneens te onderscheiden van het contract (Application and Security Agreement) tussen de koper en de emitterende bank. Het is een techniek van betaling waarbij de verkoper door de bank van de koper wordt betaald tegen de overhandiging van bepaalde documenten. Uit deze documenten blijkt de nakoming van de leveringsplicht van de verkoper. Een bank verbindt zich dus in opdracht en voor rekening van een koper (haar cliÎnt), om onder bepaalde voorwaarden (in de regel tegen overgave van documenten die betrekking hebben op de goederenovereenkomst), een som te betalen die overeenstemt met de koopprijs van een goederenovereenkomst (4).

Van zodra de begunstigde van het documentair krediet het kredietadvies (5) ontvangt, kan hij rechten doen gelden op de bank. Vanaf dat ogenblik is de bank tegenover de begunstigde gebonden. De verbintenis van de bank t.a.v. de begunstigde ontstaat derhalve door zijn eenzijdige wilsuiting (6). Het krediet komt tegenover de begunstigde tot stand op het ogenblik dat de begunstigde het kredietadvies ontvangt. (7) Vanaf dat ogenblik is de bank tegenover de begunstigde gebonden.

De geopende kredietbrief houdt dus een eenzijdige wilsuiting in door de emitterende bank, terwijl een arbitragecontract een wederzijds contract is en de wilsuiting van alle betrokken partijen vereist.

Het abstracte karakter van een documentair krediet

Een essentieel kenmerk van deze door eenzijdige wilsuiting ontstane verbintenis bestaat er bovendien in dat zij losstaat van de onderliggende goederenovereenkomst tussen verkoper en koper. Dit is het abstract karakter van de betalingsverplichting van de bankier in het kader van het documentair krediet. Deze arrangementen of contracten zijn te onderscheiden van de onderliggende hoofdcontracten tussen de exporteur en zijn overzeese koper. Documentaire kredieten hebben aldus een abstract of autonoom karakter. (8) De bank moet de exporteur betalen voor de gekochte goederen wanneer deze exporteur de vereiste documenten aan de bank voorlegt.

Dit is zelfs zo wanneer de koper voorhoudt dat de geleverde goederen gebrekkig zijn of dat er contractbreuk is (9). Het in de kredietbrief vermelde bedrag garandeert de exporteur de nakoming van de verbintenissen van de koper-opdrachtgever uit de basisovereenkomst, zonder dat de excepties uit deze basisovereenkomst kunnen worden opgeworpen. (10)

Naar Belgisch recht vindt de verbintenis van de openende bank haar oorsprong in een eenzijdige wilsuiting. De verbintenis van de bank vertoont daarom een autonoom of zelfstandig karakter, hetgeen tot gevolg heeft dat de bank geen excepties kan inroepen die gesteund zijn op de basisovereenkomst tussen de importeur en de exporteur of op de contractuele verhoudingen met haar cliÎnt (art. 3 URU).

De enige exceptie hierop vormt de exceptie van fraude (fraus omnia corrumpit). (11) Enkel bedrog of rechtsmisbruik van de begunstigde rechtvaardigt een uitzondering op de betalingsplicht van de bank. Dat is evenwel de situatie waarbij een begunstigde bijvoorbeeld vervalste documenten zou voorleggen aan de bank (i.e. fraude in de contractuele relatie met de bank) om aldus ten onrechte betaling te krijgen (bedrog), of het geval waar de begunstigde zou aandringen op betaling van de kredietbrief terwijl het voor hemzelf en de bank ontegensprekelijke vaststaat dat de onderliggende overeenkomst nooit werd uitgevoerd (rechtsmisbruik). Voor het overige, dient de bank zijn betalingsverplichting te honoreren, en kan hij geen enkele andere exceptie inroepen.

Naar de commentaar van De Vuyst, B. en Meyer, G.:The Geneva system, founded on the Geneva Conventions, is accepted by 19 countries of the European Continent, including the USSR and also by Brazil and Japan. “In dit verband rijst dan ook de vraag of de bank ook verplicht is te regelen bij nietige, onbestaande of vernietigbare onderliggende overeenkomsten of bij fraude vanwege de verkoper-begunstigde. De aangehaalde Anglo-Amerikaanse rechtspraak gaat het verst wanneer zij stelt dat nietigheid, onbestaandheid of vernietigbaarheid van de onderliggende overeenkomst geen invloed mag hebben op de verhouding tussen bank en begunstigde (zie Chuidian v. Philippine Nat. Bank, 976 F.2d 561 (9th Cir. 1992); Sabolyk v. Morgan Guarantee Trust Co., No 84 Civ. 3179, 1984 WL 1275 (S.D.N.Y.); H.J. Pabbruwe, “De rechtspositie van de bank bij het documentair krediet”, T.P.R. 1968, 282 e.v.; vgl. J. Stoufflet, a.w., 322 e.v.; in bevestigende zin Kamphuizen en Grothe Van Schellach, a.w., 114; P.J. Rogaar, a.w., 114; H.A. Van Nierop, “Documentaire credieten”, W.P.N.R. 3355, 179; H.C.F. Schoordijk, a.w., 185). Pabbruwe gaat zelf zover te beweren dat de bank, staande voor een in kracht van gewijsde gegane beslissing die de nietigheid of onbestaandheid laat blijken, zou moeten regelen omdat zij niet kan of mag oordelen of het geopend krediet wel degelijk betrekking heeft op de nietige of onbestaande onderliggende overeenkomst. Pabbruwe staaft dit door te wijzen op de commentaar van de Nederlandse Bankiersvereniging op de U.C.P. editie van 1951, waar de gebondenheid bij nietigheid van de onderliggende overeenkomst met zoveel woorden wordt verkondigd (vgl. N.A. Van Nierop, t.a.p.; E.M. Cahn, a.w., 43; zie ook p.j. Rogaar, a.w., 148; vgl., voor Duitsland, R.G.Z. 119, 332; R.G.Z. 163, 34; B.G.H.Z. 5, 281; B.G.H. in Wertpapier-Mitteilungen, 1959, 25 en de door Stoufflet aangehaalde beslissing, a.w. 323).

Diegenen die deze houding bekritiseren en beweren dat de bank in een zulke situatie niet tot regeling is gehouden argumenteren dat elke regel zijn uitzondering moet hebben (Van Ryn, a.w., nr. 2169). Of, zij beweren dat de onderliggende overeenkomst economisch met het krediet is verbonden (Boumal, a.w., 26 e.v.; zie ook A. Dieryck, a.w., nr. 267). Of nog, dat de “zekerheid” van het krediet – bedoelt men de oorzaak ? – verloren gaat indien de onderliggende overeenkomst wegvalt (zie de kritiek van J. Hamel, “Les formes internationales du crÈdit bancaire”, Rec. des Cours 1935, 269; zie ook J. Stoufflet, a.w. 323 e.v.). Het moge echter niet baten, vermits “abstractie” tot haar logische horizon moet worden doorgetrokken, zoals Stoufflet het toegeeft (a.w., 326). Dit betekent niet dat de opdrachtgever geen actiemiddelen heeft om het gebruik van het krediet te voorkomen. De bank blijft echter stilzitten, kan of hoeft, zoals verder wordt uitgewerkt, geen of weinig initiatief nemen om de regeling niet toe te staan, tenzij zij met succes de defensie van de fraude kan hanteren – fraude, wel te verstaan, in de verhouding bank-begunstigde.“ (accentuering toegevoegd)

Overdracht is mogelijk onder de UCP-400 regels

Het onderscheid tussen "transfer" en "assignment" in de UCP regels

De rechtsleer verduidelijkt deze twee technieken. De eerste betreft de overdracht van het documentaire krediet zelf (in het Frans : “transfert de crÈdit documentaire”, in het Engels “transfer”) terwijl de tweede betrekking heeft op de overdracht van het product of de opbrengst van het documentaire krediet (in het Frans : “cession du produit du crÈdit documentaire”, in het Engels “assignment of proceeds”).

De eerste techniek (transfer) vereist de instemming van alle partijen bij het documentaire krediet. De begunstigde mag niet alleen handelen of de transfer zal niet tegenstelbaar zijn aan de oorspronkelijke partijen bij het documentaire krediet. Ingeval transfer wordt het documentaire krediet zelf overgedragen met alle rechten en verplichtingen verbonden aan deze abstracte verbintenis. M.a.w. indien de begunstigde de kredietbrief transfereert, is het degene aan wie wordt getransfereerd die de nodige documenten dient voor te leggen alvorens hij betaling kan eisen.

Mits akkoord van alle partijen kunnen de voorwaarden van het oorspronkelijke documentaire krediet gewijzigd worden (prijs – aard van de documenten die voorgelegd dienen te worden, duur van het documentaire krediet, enz.). In deze hypothese mogen de partijen, na de overdracht, de excepties verbonden aan de oorspronkelijke relatie niet meer tegenwerpen aan de nieuwe beneficiaris. (12)

GAVALDA en STOUFFLET bevestigen dat met deze eerste techniek van overdracht van het documentaire krediet zelf (of in het Frans “transfert” du crÈdit documentaire) een nieuwe rechtsband ontstaat. (13)

De tweede techniek (assignment) daarentegen is een eenvoudige overdracht van schuldvordering. De eerste begunstigde mag het provenu van het documentaire krediet overdragen (dit is de opbrengst die voortvloeit uit het voldoen van het documentair krediet). De rechtsgeldigheid van de overdracht en de tegenwerpelijkheid ervan dienen onderzocht te worden aan de hand van de wet die de overdracht van schuldvordering beheerst. In tegenstelling met de eerste techniek dient de eerste begunstigde niet de toelating te bekomen van de oorspronkelijk bij het documentair krediet betrokken partijen om rechtsgeldig te handelen. Dit wordt uitdrukkelijk bepaald in art. 55 UCP-400 regels. Anders dan in de eerste techniek mag de bank de excepties die verbonden zijn aan de “oorspronkelijke” kredietbrief opwerpen en tegenwerpen aan de cessionaris. (14)

De schuldvorderingen van uitgevoerde kredietbrieven werden overgedragen :

Artikel 55 regelt enkel de cessie van het “provenu”. Daaruit zou volgen dat er enkel een verbintenis is vanwege de begunstigde van de kredietbrief (overdrager) ten opzichte van de cessionaris van de vordering (overnemer) om het provenu af te geven eens zich dit voordoet (dus na uitvoering van de kredietbrief). Het is enkel de begunstigde van het krediet die na aanbieding van de conforme documenten de betaling kan ontvangen. Pas nadat de begunstigde de kredietbrief heeft uitgevoerd, kan de cessionaris van de schuldvordering (het provenu) (15) het geld ontvangen. Het is inderdaad zo dat de cessionaris van de overgedragen schuldvordering slechts een vordering krijgt op het recht van de beneficiant om betaald te worden door de emitterende bank. (16)

Hierbij mag een essentieel element van het dossier niet uit het oog worden verloren. Het gaat hier om de overdracht van schuldvorderingen die reeds ontstaan en opeisbaar zijn, omdat de kredietbrieven reeds zijn uitgevoerd. (17) De geleverde goederen zijn verscheept, alle nodige documenten werden door de beneficiant tijdig overgemaakt en nooit geprotesteerd (en zelfs geaccepteerd). In hoofde van de emitterende bank van de kredietbrief is aldus een absolute betalingsverbintenis ontstaan tegenover de begunstigde ervan.

Bij nalezing van rechtspraak en rechtsleer moet men er zich duidelijk van vergewissen welke situatie wordt beschreven. Vaak wordt de situatie beschrijven wanneer het documentair krediet nog door de begunstigde moet worden uitgevoerd. M.a.w. wanneer de documenten nog dienen te worden aangeboden en het krediet zijn uitwerking dient te krijgen. Uiteraard zal de situatie van de cessionaris van het provenu verschillen naargelang de kredietbrief een opeisbare schuldvordering vertegenwoordigt of slechts een mogelijk recht op betaling van een bedrag geeft.

De overdracht van de opeisbare betalingsvordering voortvloeiende uit een kredietbrief wordt evenwel niet geregeld in de UCP-regels. De UCP-regels voorzien enkel dat het mogelijk is het provenu over te dragen (anders dan bij transfer, die door de UCP-regels extensiever worden geregeld). Derhalve moet worden gekeken naar het aanvullende recht dat terzake van toepassing is.

De kredietbrief als geschrift/titel

Een kredietbrief is ontegensprekelijk een onderhandse akte, die de schuldvordering van de erin begunstigde tegenover de bank, uitgever van de kredietbrief, staaft.

Het acceptkrediet

Een acceptkrediet is niet zonder meer gelijk te stellen met een documentair krediet. Er bestaat een verschil tussen beiden. Het acceptkrediet is in eigenlijk een overeenkomst waarbij de bank de begunstigde de toestemming geeft om wissels op de bank te trekken of door zijn leverancier te laten trekken, en zich ertoe verbindt die wissels ten belope van een bepaald bedrag te aanvaarden. (18) Het is het vertrouwen dat men een zakenman of bankier betoont door zijn wissels te accepteren, zonder dat er dekking aanwezig is.

Het documentair krediet is een kredietoperatie uit het internationaal handelsverkeer waarbij de verkoper door de bank van de koper wordt betaald, of zich verbindt een wissel te aanvaarden voor het overeenstemmend bedrag, tegen de overhandiging van bepaalde documenten waaruit de nakoming van diens leveringsplicht blijkt. (19)

Opdat een kredietbrief opeisbaar wordt, is het niet noodzakelijk dat de daarin voorziene wissel zou zijn geaccepteerd. De betalingmethode staat niet gelijk aan het ontstaan van de betalingsverplichting van de emitterende bank. De enige verplichting die bestaat in hoofde van de beneficiant is tijdig de vereiste documenten afgeven. Het ontstaan van de betalingsverplichting kan niet afhankelijk worden gemaakt van de eenzijdige handeling – het al dan niet accepteren van een wissel - vanwege de debiteur zelf (vgl. art. 1170 B.W. potestatieve voorwaarde).

De oplossing van dit probleem is uitdrukkelijk geregeld in de UCP-400-regels, die op alle hier betrokken kredietbrieven – in tegenstelling tot wat geÔntimeerden beweren – van toepassing zijn. Het een en ander wordt hierna toegelicht.

Het krediet op zich komt tegenover de begunstigde tot stand op het ogenblik dat de begunstigde het kredietadvies ontvangt. (20) Vanaf dat ogenblik is de bank tegenover de begunstigde gebonden en het contract tussen partijen bestaat.

Dus het bestaan van de respectievelijke schuldvorderingen wordt aangetoond door de voorlegging van de kredietbrieven zelf. (21) De voorwaarden van de titel en de uitvoering treffen de grond van de zaak, waarover de Beslagrechter principieel onbevoegd is te oordelen. Dit was ook het oordeel van de rechter in eerste aanleg.

Het krediet is voor de beneficiant voltrokken vanaf het moment dat hij de vereiste documenten – waaronder ook de wissels - heeft afgegeven aan de bank, die bevoegd is te betalen, te accepteren of te negotiëren (22) en dit binnen de door het documentair krediet gestelde termijnen. (23)

Deze UCP-400 regels stellen dat, indien de documenten zijn overgemaakt en de betaling tijdig is opgevraagd, de L/C opeisbaar is (art. 10 UCP-400). Art. 10, a, ii, van de UCP-400 bepaalt dat een onherroepelijk documentair krediet een definitieve verbintenis uitmaakt voor de emitterende bank, op voorwaarde dat de documenten werden gepresenteerd en dat hierbij de termijn en voorwaarden van het documentair krediet zijn nageleefd. Indien het documentair krediet in een uitgestelde betaling voorziet, is het documentair krediet betaalbaar op de datum, zoals bepaald in het documentair krediet.

Art. 10, a, ii, UCP-400:

“An irrevocable credit constitutes a definite undertaking of the issuing bank, provided that the stipulated documents are presented and that the terms and conditions of the credit are complied with: … if the credit provides for deferred payment – to pay, or that payment will be made, on the date(s) determinable in accordance with the stipulations of the credit;” Vrije vertaling: “Een onherroepelijk krediet houdt een definitieve verbintenis in van de emitterende bank, op voorwaarde dat de gestipuleerde documenten zijn aangeboden en dat de termijnen en voorwaarden van het krediet zijn nageleefd:… indien het krediet voorziet in een uitgestelde betaling – te betalen, of betaling te doen op de data, bepaalbaar overeenkomstig wat gestipuleerd is in het krediet;”

De documenten dienen door de emitterende bank gecontroleerd te worden en de bank dient binnen een redelijke termijn te melden of ze de documenten accepteert of niet. (24) Zo de bank niet reageert binnen een redelijk termijn, worden de documenten geacht te zijn geaccepteerd en kan zij geen betaling weigeren.  (25)

Tekortkomingen inzake de documenten kunnen eventueel worden opgevangen door het gebrek aan protest vanwege de emitterende bank. Als de emitterende bank niet aantoont dat zij tijdig heeft geprotesteerd is de L/C aanvaard en verschuldigd. (26)

Het bewijs van de wissels, wordt gedekt door artikel 16, c, d, e en f, UCP-400, dat volgende stipuleert:

Dus, ook al heeft de adviserende bank opmerkingen of voorbehoud gemaakt naar de beneficiant toe, ook al voldoet de emitterende bank niet om de haar voorgelegde wissels te accepteren, dit ontslaat de emitterende bank niet van haar verplichting om tijdig protest uit te brengen of de betaling te weigeren (of the documenten terug te zenden). Dit is uitdrukkelijk bepaald in art. 16, d, e en f, UCP-400. Commentaren bij dit artikel stellen tevens dat de beneficiant niets kan worden tegengesteld, zelfs indien de adviserende bank de emitterende bank niet op de hoogte heeft gebracht van een discrepantie. (27)

Artikel 16 UCP-400, die het niet protesteren van een kredietbrief gelijkstelt met een betalingsverbintenis vanwege de emitterende bank, is evenwel een essentieel aspect in de beoordeling van het “opeisbaar” karakter van de documentaire kredieten. De vergelijking met het systeem van art. 25 Wb. Kh., waar het ongeprotesteerde factuur tussen handelaars als zeker en vaststaande wordt aanzien, kan hier worden gemaakt.

Besluit

Uit bovenstaande blijkt duidelijk dat door het niet terugsturen van een wissel – waartoe de emitterende bank verplicht is tot betaling van gedane leveringen door de beneficiant – de emitterende bank zich niet kan onttrekken aan haar verplichting binnen een redelijke termijn na ontvangst van de documenten de beneficiant op de hoogte te brengen van haar aanvaarding of weigering te betalen.

Voetnoten

1. SCHRANS, Guy, Nieuwe regels voor documentaire kredieten en autonome garanties, in Handels-, economisch en financieel recht, ..., p. 312, nr. 2, vgl. p. 320, nr. 10.
2. SIMON JONES, Beware LC's can hurt, Trade & forfaiting, vol. 2, 01/09/98, p. 29 e.v.
3. DE LY, Filip, Garanties en standby letters of credit, T.B.H., 1986, p. 172.
4. B.M. DE VUYST, Documentaire kredieten, A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1991, nr. 3
5. Het bericht aan de verkoper dat de verbintenis van de bank weergeeft, wordt het kredietadvies genoemd; B.M. DE VUYST, Documentaire kredieten, ..., 1981, nr. 7.
6. BRAECKMANS, H., "Betaal-en kredietverrichtingen)" in Handels- en economisch recht, VAN GERVEN, W., STUYCK, J. en MARESCO, M. (Eds.), Story-Scientia, Deel I, Volume B, nr.664; DE VUYST, Bruno, Documentaire Kredieten, APR, Story-Scientia, 1981, nr. 142; MAEYAERT, P., Documentaire kredieten, die keure, Brugge, 1989, p. 85-87.
7. DE VUYST, Bruno, Documentaire Kredieten, APR, Story-Scientia, 1981, nr. 142; MAEYAERT, P., Documentaire kredieten, die keure, Brugge, 1989, p. 85-87.
8. SCHRANS, G., Nieuwe regels voor documentaire kredieten en autonome garanties, in Handels-, economisch en financieel recht, p. 312, nr. 2, vgl. p. 320, nr. 10.
9. SIMON JONES, Beware LC's can hurt, Trade & forfaiting, vol. 2, 01/09/98, p. 29 e.v.
10. DE LY, Filip, Garanties en standby letters of credit, T.B.H., 1986, p. 172.
11. Artikel 3 Uniforme Regelen en Usances. Zie SCHRANS, G, en STEENNOT, R, Algemeen deel van het Financieel Recht, Intersentia, Antwerpen, 2003, pagina 449.
12. Carlo LOMBARDINI, Droit et pratique du crédit documentaire, 2000, (2ième Ed.), nrs. 453 e.v.
13. Christian GALVADA et Jean STOUFFLET, Droit bancaire : Institutions - comptes - opérations - services, 1999, (4ième Ed.) n°. 644. "Par l'effet du transfert, un nouveau lien de droit se forme entre le banquier émetteur et le second bénéficiaire".. Vrije vertaling : « Door de overdracht wordt een rechtsband gevormd tussen de emitterende bankier en de tweede begunstigde »
14. Carlo LOMBARDINI, Droit etpratique du crédit documentaire, 2000, (2ième Ed.), nr. 453 e.v. ; zie tevens Christian GAVALDA en Jean STOUFFLET, Droit bancaire : Institutions - comptes - opérations - services, 1999, (4ième Ed.), n°. 645. " Le bénéficiaire d'un accréditif peut également, pour mobiliser sa créance, la céder (assignment, d.i. de tweede techniek) et ce tant avant qu'après la présentation des documents. Rien n'empêche, en effet, de céder une créance purement conditionnelle. (...) Le contrat de cession de créance peut être soumis au même droit que celui qui régit la créance cédée ou à un autre droit. (...) Contrairement à ce qui se passe dans le cas du transfert de l'accréditif, le cessionnaire peut se voir opposer par la banque les mêmes objections et exceptions que celle-ci avait à l'égard du cédant, notamment le moyen de défense tiré de la fraude. Enfin, en cas de litige, le cédant pourrait remettre en question la validité de la cession, par exemple en l'invalidant pour vice de la volonté, et essayer de ce fait d'empêcher la banque de s'exécuter en mains du cessionnaire en la forçant, le cas échéant, à consigner la somme".
15. MAEYAERT, P., Juridische aspecten bij exportfinanciering door middel van documentaire kredieten in het licht van de laatste herziening van de UCP, Die Keure, 1988, p. 56-57.
16. CAPRIOLI, Le crédit documentaire: Evolution et perspectives, Itec, Paris, 1992, p. 355.
17. Ik verwijs naar publicaties van Del Busto en Meyaert.
18. DIRIX, TILLEMAN, VAN ORSHOVEN, De Vlaks Juridisch woordenboek, Intersentia, Antwerpen, 2001, p. 18.
19. DIRIX, TILLEMAN, VAN ORSHOVEN, De Vlaks Juridisch woordenboek, Intersentia, Antwerpen, 2001, p. 95.
20. DE VUYST, Bruno, Documentaire Kredieten, APR, Story-Scientia, 1981, nr. 142; MAEYAERT, P., Documentaire kredieten, die keure, Brugge, 1989, p. 85-87.
21. zie Cass. 23 juni 1996, onuitg. A.R., C.93.0105.F.
22. art. 11 b UCP; EISEMANN, Fr., BONTOUX, Ch., Le crédit documentaire dans le commerce extérieur, Commentaire Réglementation Uniforme Internationale et Formules normalisées, Jupiter Exporter, 1985, nr. 134.
23. art. 47 UCP; EISEMANN, Fr., BONTOUX, Ch., Le crédit documentaire dans le commerce extérieur, Commentaire Réglementation Uniforme Internationale et Formules normalisées, Jupiter Exporter, 1985, nr. 138.
24. art. 15, 16 c, d, e en f UCP-400.
25. EISEMANN, Fr., BONTOUX, Ch., Le crédit documentaire dans le commerce extérieur, Commentaire Réglementation Uniforme Internationale et Formules normalisées, Jupiter Exporter, 1985, nr. 163-164.
26. art. 16 UCP-400.
27. del Busto, Charles, Documentary Credits, UCP 500 & 400 Compared, ICC publ. n° 511, ICC Publishing SA, Parijs, 1993, p. 44-48.